De Nederlandse industrie wil af van fossiele brandstoffen, maar loopt bij de overstap naar elektriciteit tegen een behoorlijk praktisch probleem aan: het stroomnet zit vol. Steeds meer bedrijven kijken daarom naar een opvallende tussenoplossing. Met tijdelijke gasturbines kunnen ze zelf elektriciteit opwekken, totdat er voldoende capaciteit op het elektriciteitsnet beschikbaar is.
Het klinkt tegenstrijdig: om minder aardgas te gebruiken, overwegen industriële bedrijven juist nieuwe gasinstallaties neer te zetten. Toch is dat precies de richting die een deel van de Nederlandse industrie onderzoekt. Door de aanhoudende netcongestie kunnen bedrijven die hun productieprocessen willen elektrificeren vaak geen zwaardere stroomaansluiting krijgen. Een eigen gasturbine kan uitkomst bieden.
Over die ontwikkeling berichtten onder meer BNR en het FD. De gedachte achter de tijdelijke installaties is dat bedrijven hun verduurzamingsplannen niet jarenlang hoeven uit te stellen omdat het elektriciteitsnet onvoldoende capaciteit heeft.
Elektrificatie loopt vast
Voor veel industriële processen is elektriciteit een belangrijk alternatief voor fossiele brandstoffen. Denk aan elektrische boilers, industriële warmtepompen en elektrisch aangedreven productieinstallaties. Daarmee kunnen bedrijven hun aardgasverbruik en CO₂-uitstoot verminderen, zeker wanneer de benodigde elektriciteit duurzaam wordt opgewekt.
Maar die omschakeling vraagt vaak aanzienlijk meer elektrisch vermogen. En juist dat is op veel industrieterreinen niet beschikbaar. Bedrijven kunnen wel investeren in nieuwe machines, maar mogen vervolgens niet altijd de benodigde hoeveelheid stroom afnemen.
Een tijdelijke gasturbine maakt het mogelijk om een deel van de elektriciteitsvraag lokaal op te vangen. Door aardgas te verbranden drijft de turbine een generator aan die elektriciteit produceert. Daarmee wordt de afhankelijkheid van een zwaardere netaansluiting kleiner.
Fossiele oplossing voor een duurzaam probleem
De techniek is niet nieuw. Gasturbines worden al tientallen jaren gebruikt voor elektriciteitsproductie, zowel in grote centrales als bij industriële installaties. Ze kunnen bovendien relatief snel worden opgestart en bijgeschakeld wanneer extra vermogen nodig is.
Toch kleven er duidelijke nadelen aan. Bij de verbranding van aardgas komt CO₂ vrij. Bovendien gaat bij de omzetting van gas naar elektriciteit energie verloren. Zeker wanneer de vrijkomende warmte niet nuttig wordt gebruikt, kan elektriciteitsopwekking met een gasturbine minder efficiënt zijn dan directe benutting van aardgas.
Daar komt bij dat bedrijven die investeren in tijdelijke gasinstallaties mogelijk langer afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen dan oorspronkelijk gepland.
Ook overheid ziet rol voor gas
Dat gas tijdelijk een rol kan spelen bij het oplossen van netcongestie, wordt inmiddels ook door de overheid erkend. De Rijksoverheid noemt gasgeneratoren expliciet als mogelijkheid om langdurige pieken in de elektriciteitsvraag op te vangen wanneer batterijen onvoldoende uitkomst bieden.
Een concreet voorbeeld is een geplande installatie van Vattenfall in Almere. Daar moet een batterij van 50 megawatt worden gecombineerd met een gasturbine van 60 megawatt. Bij netcongestie wordt eerst de batterij ingezet. Pas wanneer die onvoldoende energie kan leveren, springt de gasturbine bij. De tijdelijke installatie moet volgens de plannen tussen 2029 en 2033 worden gebruikt, mits de benodigde vergunningen worden verleend.
Tegelijkertijd proberen netbeheerders meer ruimte te creëren door bedrijven hun stroomverbruik te laten verschuiven naar rustigere uren. Voor industriële processen die continu moeten draaien, is dat echter niet altijd mogelijk.










