De Europese Commissie werkt aan plannen om subsidies voor elektrische auto’s te koppelen aan een stevige eis: minimaal 70 procent van de componenten moet in de EU zijn geproduceerd. Met die maatregel wil Brussel voorkomen dat Europees belastinggeld indirect terechtkomt bij buitenlandse fabrikanten, met name uit China.
Het voorstel maakt deel uit van de zogeheten Industrial Accelerator Act, die in maart moet worden gepresenteerd. De wet moet de Europese industrie versterken, die onder druk staat door hoge energieprijzen, streng klimaatbeleid en goedkope import uit Azië. Vooral de auto-industrie voelt die concurrentie scherp.
Wat houdt de 70 procent-regel in?
Volgens de Financial Times, die een conceptversie van het wetsvoorstel heeft ingezien, komen alleen elektrische auto’s, hybrides en waterstofauto’s in aanmerking voor nationale aankoopsubsidies als ze in de EU zijn geassembleerd én voor minstens 70 procent uit Europese onderdelen bestaan. Dat percentage wordt berekend op basis van de waarde van de componenten.
Opvallend is dat het accupakket buiten deze 70 procent-eis valt. Dat is geen toeval. Europa is voor batterijcellen en cruciale grondstoffen nog sterk afhankelijk van China. Projecten voor Europese accufabrieken lopen vertraging op of zijn afgeblazen. Het faillissement van Northvolt liet zien hoe kwetsbaar de Europese batterijstrategie is.
Wel zouden bepaalde belangrijke onderdelen van de batterij alsnog in Europa geproduceerd moeten worden. Om welke componenten het precies gaat, is nog niet duidelijk.
Bescherming van een industrie van 2,6 biljoen euro
De bredere inzet van de Europese Commissie is helder: het beschermen van een industriële basis met een geschatte waarde van 2,6 biljoen euro. Europese autofabrikanten sluiten fabrieken en schrappen banen, terwijl Chinese merken snel marktaandeel winnen met scherp geprijsde modellen.
Eerder voerde Brussel al importheffingen in op Chinese elektrische auto’s, omdat de Chinese overheid haar auto-industrie volgens de EU oneerlijk zou subsidiëren. Met de nieuwe content-eis verschuift de focus van handelsmaatregelen naar subsidievoorwaarden.
In de praktijk betekent dit dat een in China gebouwde auto van bijvoorbeeld Polestar minder aantrekkelijk kan worden voor Europese kopers als nationale subsidies wegvallen. Ook modellen van Amerikaanse of Japanse makelij die grotendeels buiten de EU worden geproduceerd, kunnen geraakt worden.
Verdeling binnen de sector
Binnen de Europese auto-industrie lopen de meningen uiteen. Sommige toeleveranciers en producenten van schone technologie steunen lokale content-eisen, omdat ze daarmee verzekerd zijn van meer vraag naar Europese onderdelen.

Autofabrikanten zelf zijn verdeeld. BMW waarschuwde dat extra regels kunnen leiden tot meer bureaucratie en hogere kosten. Tegelijk pleitten Volkswagen en Stellantis eerder voor een publiek programma dat het gebruik van Europese onderdelen stimuleert. Andere fabrikanten zien liever een bredere definitie van ‘Made in Europe’, waarbij ook productielanden als Turkije en het Verenigd Koninkrijk worden meegenomen.
Gevolgen voor consumenten
Voor consumenten kan de maatregel twee kanten op werken. Enerzijds kan een sterkere Europese toeleveringsketen leiden tot meer investeringen en innovatie binnen de EU. Anderzijds bestaat het risico dat auto’s duurder worden als fabrikanten hun productieketens moeten herstructureren of duurdere Europese onderdelen moeten inkopen.
In Nederland zijn directe aankoopsubsidies voor elektrische auto’s inmiddels beperkt, maar fiscale voordelen zoals lagere bpm, bijtelling en motorrijtuigenbelasting spelen nog steeds een rol. In andere EU-landen zijn aankoopsubsidies substantieel hoger. Juist daar kan de nieuwe regel een merkbaar effect hebben op de uiteindelijke verkoopprijs.
Bovendien staat het percentage van 70 procent nog tussen vierkante haken in het conceptvoorstel. Dat betekent dat het cijfer nog onderwerp van discussie is en kan worden aangepast tijdens de politieke onderhandelingen.
Wat vaststaat, is dat de Europese Commissie de energietransitie nadrukkelijk wil verbinden aan industriële strategie. Elektrificatie van het wagenpark is niet langer alleen een klimaatvraagstuk, maar ook een geopolitieke en economische afweging.





