Meer dan 200.000 vaten met radioactief afval verdwenen decennia geleden in de Atlantische Oceaan. Onderzoekers zijn nu afgedaald tot bijna vijf kilometer diepte en treffen zwaar aangetaste vaten, gelekte inhoud én verrassend veel diepzeeleven aan.
Tussen het midden van de vorige eeuw en de jaren tachtig werd de diepe oceaan gezien als een praktische eindbestemming voor laag- en middelradioactief afval. Wat er daarna precies met de duizenden vaten gebeurde, bleef grotendeels onbekend. Franse onderzoekers proberen daar nu voor het eerst systematisch antwoord op te geven.
Duizenden radioactieve afvalvaten teruggevonden
Tussen 1949 en 1982 werd in de Noordoost-Atlantische Oceaan meer dan 150.000 ton radioactief afval gestort, verdeeld over ruim 200.000 vaten. Veel daarvan liggen op dieptes tussen 3.000 en 5.000 meter.
In 2025 begon het door het Franse onderzoeksinstituut CNRS geleide NODSSUM-project met het systematisch in kaart brengen van de dumpplaatsen. Met de autonome onderwaterrobot UlyX werden in één maand tijd 3.355 vaten gelokaliseerd en gefotografeerd. Een jaar later keerde het team terug met de bemande diepzeeër Nautile. Tijdens twintig duiken bereikten onderzoekers dieptes van meer dan 4.700 meter om de vaten van dichtbij te onderzoeken en monsters te verzamelen.

Sterke corrosie en duidelijke lekken
De toestand van een deel van de vaten is duidelijk verslechterd. Onderzoekers zagen sterke corrosie en op verschillende plekken materiaal dat uit de verpakking naar buiten was gelekt.
Metingen in de omgeving detecteerden onder meer kobalt-60 en niobium-94, radionucliden die rechtstreeks met het gedumpte afval in verband kunnen worden gebracht. Ook cesium-137 en americium-241 werden gemeten op niveaus boven de verwachte achtergrond.
Dat betekent echter niet automatisch dat grote delen van de oceaan zwaar vervuild zijn. Op grote diepte kunnen radionucliden zich door oceaanstromingen verspreiden en sterk verdund raken. Belangrijker is daarom de vraag of bepaalde stoffen zich ophopen in sediment, micro-organismen of dieren.

Onverwacht veel leven
Juist daar stuitten de onderzoekers op iets onverwachts. De vaten fungeren inmiddels als kunstmatige structuren op een verder grotendeels vlakke zeebodem. Anemonen en sponzen groeien erop, terwijl vissen, zeekomkommers en kreeftachtigen zich rond de vaten ophouden zoals te zien op de foto bovenaan het artikel en hieronder. Sommige dieren gebruiken de metalen cilinders zelfs als schuilplaats.
Daarmee ontstaat een nieuwe onderzoeksvraag: komen radionucliden ook terecht in de organismen die rond de vaten leven? Onderzoekers hebben daarom water, sediment, micro-organismen en dieren verzameld die direct naast of op de vaten leefden. Die monsters worden nu in laboratoria onderzocht.

Een nucleair experiment dat nooit zo bedoeld was
De dumppraktijken uit de twintigste eeuw zouden volgens de huidige normen uiteraard niet meer op dezelfde manier worden toegestaan. Tegenwoordig is langdurige gecontroleerde opslag het uitgangspunt voor radioactief afval.
De Atlantische dumpplaatsen zijn daardoor onbedoeld uitgegroeid tot een grootschalig praktijkexperiment. Voor het eerst kunnen onderzoekers nu volgen wat er gebeurt wanneer radioactief afval tientallen jaren in direct contact staat met diepzeewater, sediment en ecosystemen. De komende analyses moeten duidelijk maken of de radioactiviteit vooral lokaal blijft, of zich ook via organismen en voedselketens verder verspreidt.














