De Noordzee moet uitgroeien tot de grootste groene energiehub ter wereld. Dat is de ambitie van negen Europese landen die deze week in Hamburg afspraken maakten over een ongekende opschaling van offshore windenergie. Tegen 2050 willen zij gezamenlijk 300 gigawatt aan windvermogen op zee realiseren, goed voor de elektriciteitsvraag van zo’n honderd miljoen huishoudens. Opvallend is vooral de gekozen aanpak: minder nationale concurrentie, meer gezamenlijke projecten.
Tot nu toe ontwikkelden landen hun windparken vooral zelfstandig, met eigen netaansluitingen, subsidies en aanbestedingen. Die versnippering moet plaatsmaken voor grootschalige samenwerking. Minstens 100 gigawatt van het geplande vermogen moet afkomstig zijn uit gezamenlijke windparken, met aansluitingen op meerdere landen en gedeelde financiering. Volgens netbeheerders kan de Noordzee daarmee op termijn tot veertig procent van de Europese elektriciteitsvraag leveren.
Windsector onder druk
Die samenwerking komt niet uit luxe voort. De Europese offshore windsector zit in zwaar weer. Kosten voor materialen, installatie en financiering zijn sterk gestegen, terwijl de elektriciteitsvraag minder hard groeit dan verwacht. Projecten die enkele jaren geleden nog zonder subsidie rendabel leken, zijn dat nu vaak niet meer. Investeerders zijn voorzichtig geworden en aanbestedingen blijven soms zonder inschrijvingen.
Tijdens de Noordzeetop werd dat probleem expliciet benoemd. De ambitie om snel op te schalen botst met economische realiteit. Samenwerking moet schaalvoordelen opleveren en de risico’s voor ontwikkelaars verkleinen. Ook wordt ingezet op het versnellen van vergunningstrajecten en het oplossen van knelpunten op het elektriciteitsnet, die nu steeds vaker de bottleneck vormen.
Miljarden om de businesscase te redden
Om het vertrouwen in de markt te herstellen, kondigden de betrokken landen een gezamenlijk investeringspakket aan dat kan oplopen tot honderden miljarden euro’s richting 2050. Overheden beloven meer investeringszekerheid via prijsafspraken voor elektriciteit. Zakt de marktprijs onder een afgesproken niveau, dan springt de overheid bij. Bij uitzonderlijk hoge prijzen wordt juist afgeroomd.
De sector belooft in ruil forse kostenverlagingen en werkgelegenheid. Door standaardisatie, schaalvergroting en technologische verbeteringen moeten de kosten van offshore wind tegen 2040 aanzienlijk lager liggen dan nu. Daarmee hopen overheden en bedrijven samen het kip en ei probleem te doorbreken dat de sector momenteel verlamt.
Energie en geopolitiek raken verweven
De plannen hebben ook een duidelijke geopolitieke lading. Europa wil minder afhankelijk worden van fossiele energie uit landen buiten het continent. Sinds de oorlog in Oekraïne is die afhankelijkheid pijnlijk zichtbaar geworden, eerst van Russisch gas en later van vloeibaar gas uit de Verenigde Staten. Grootschalige eigen productie van hernieuwbare energie wordt gezien als een strategische noodzaak.
Die strategische rol maakt de energie infrastructuur op zee ook kwetsbaar. Onderzeese kabels en dataverbindingen zijn gevoelig voor sabotage en cyberaanvallen. Daarom stond veiligheid hoog op de agenda in Hamburg en wordt de samenwerking met defensie en veiligheidsorganisaties geïntensiveerd.
Hoewel de richting duidelijk is, blijft de haalbaarheid onzeker. Eerdere tussendoelen voor offshore wind zijn al losgelaten en vergunningen, netcapaciteit en maatschappelijke inpassing blijven grote uitdagingen. De Noordzee is bovendien een druk gebruikt gebied, waar scheepvaart, visserij, defensie en energie steeds meer ruimte moeten delen. De top in Hamburg markeert daarmee vooral een politiek keerpunt: offshore wind wordt niet langer gezien als vanzelfsprekende markt, maar als strategische infrastructuur die actieve sturing vereist.





