Nederland loopt het risico een belangrijk deel van zijn innovatiebeleid kwijt te raken. Het Nationaal Groeifonds, waarmee miljarden werden geïnvesteerd in nieuwe technologieën, wordt afgebouwd. Een structurele opvolger ontbreekt. Volgens onderzoeksinstituut TNO dreigen daardoor honderden bedrijven en kennisinstellingen vast te lopen bij het ontwikkelen en op de markt brengen van nieuwe technologie.
Nederland behoort tot de wereldtop in wetenschappelijk onderzoek, maar slaagt er minder goed in om die kennis om te zetten in succesvolle producten en bedrijven. Juist om dat probleem aan te pakken, werd in 2020 het Nationaal Groeifonds opgericht. Met een oorspronkelijk budget van 20 miljard euro moest het fonds grootschalige innovatieprojecten mogelijk maken.
Vier jaar later besloot het toenmalige kabinet echter om nieuwe subsidierondes te schrappen. Lopende programma’s mochten doorgaan, maar voor nieuwe initiatieven werd de geldkraan grotendeels dichtgedraaid. Er komt nog één extra subsidieronde van 375 miljoen euro, grotendeels gefinancierd met vrijgevallen middelen uit eerdere rondes.
Volgens een nieuw onderzoek van TNO in opdracht van NXTGEN Hightech ontstaat daardoor een probleem dat verder gaat dan het wegvallen van subsidies.
Technologische ontwikkeling duurt langer dan vier jaar
Voor het onderzoek bestudeerde TNO drie Nederlandse innovatieprogramma’s en vergelijkbare initiatieven in Australië, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk. Daaruit blijkt dat langdurige samenwerking tussen bedrijven, universiteiten en onderzoeksinstellingen bijdraagt aan snellere technologische ontwikkeling en meer private investeringen.
Vooral de looptijd blijkt belangrijk. Deelnemers aan de onderzochte programma’s pleiten voor een periode van tien tot vijftien jaar. Zeker bij complexe technologieën, zoals halfgeleiders, geavanceerde productiemachines en communicatiesystemen, duurt het vaak jaren voordat een eerste prototype geschikt is voor industriële toepassing.
Een treffend voorbeeld is NXTGEN Hightech. Binnen dit programma werken 330 bedrijven en kennisinstellingen aan nieuwe productietechnologieën voor onder meer de chipindustrie, energievoorziening en medische toepassingen.
Het programma heeft een omvang van 970 miljoen euro, waarvan ongeveer de helft afkomstig is uit het Groeifonds. De overige financiering wordt door deelnemende partijen ingebracht. Projecten worden tussentijds beoordeeld op voortgang, commerciële kansen en hun bijdrage aan de Nederlandse kennispositie.
Nieuwe miljarden lossen probleem niet op
Het kabinet kondigde op Prinsjesdag twee nieuwe financieringsinstrumenten aan. Er is 500 miljoen euro beschikbaar voor een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en ruim 3 miljard euro voor een Nationale Investeringsinstelling (NII).
Toch vervangen deze initiatieven het Groeifonds volgens TNO niet. NADI richt zich op technologische doorbraken, terwijl de NII bedrijven moet helpen bij hun verdere groei. Het Groeifonds vervult juist de tussenliggende rol: het financiert langdurige samenwerking waarmee onderzoek kan uitgroeien tot concrete toepassingen.
Die ontbrekende schakel kan ook gevolgen hebben voor de Nederlandse onderzoeksuitgaven. Nederland wil in 2030 minstens 3 procent van zijn bruto binnenlands product besteden aan onderzoek en ontwikkeling. Volgens een recente raming van TNO dreigt dat percentage bij ongewijzigd beleid juist te dalen.
Meer afstand tot de politiek
TNO pleit daarom voor een nieuw, structureel innovatieprogramma met een looptijd van minimaal tien tot vijftien jaar. Dat zou zich moeten richten op een beperkt aantal strategische technologiegebieden, waarbij bedrijven bij voorkeur minstens de helft van de financiering zelf bijdragen.
Ook moet het programma op grotere afstand van de politiek komen te staan, zodat een kabinetswisseling niet telkens leidt tot een andere koers. Tegelijkertijd willen de onderzoekers dat projecten regelmatig worden beoordeeld en dat financiering kan worden stopgezet wanneer resultaten achterblijven.
Als voorbeeld wijzen ze op Noorwegen, waar het programma PILOT-E onderzoeksfinanciering en ondersteuning bij marktintroductie combineert. Die aanpak heeft onder meer bijgedragen aan de ontwikkeling en introductie van elektrische veerboten en schepen op waterstof.














