De Europese ambities op het gebied van energietransitie, defensie en hightechindustrie leunen zwaar op een relatief klein aantal grondstoffen. Lithium voor batterijen, kobalt voor accu’s, koper voor netwerken en zeldzame aardmetalen voor elektromotoren en windturbines. Precies daar wringt het, waarschuwt de Europese Rekenkamer in een reeks recente rapporten. Europa is te afhankelijk van import uit een handvol landen en slaagt er voorlopig niet in die kwetsbaarheid te verkleinen.
Voor tien van de zesentwintig kritieke grondstoffen die de EU heeft aangewezen, is de Unie zelfs volledig afhankelijk van invoer van buiten de eigen grenzen. China, Turkije, Chili en in mindere mate de Verenigde Staten domineren de markt. Vrijwel geen van deze materialen wordt in Europa zelf gewonnen of verder verwerkt. Dat is niet alleen een economisch risico, maar ook een strategisch probleem in een wereld waarin grondstoffen steeds vaker een geopolitiek drukmiddel zijn.
Energietransitie onder druk
De timing van die afhankelijkheid is ongelukkig. De EU wil in hoog tempo overstappen op hernieuwbare energie en elektrificatie. Batterijen, zonnepanelen en windturbines zijn daarbij onmisbaar, maar zonder zekere toegang tot grondstoffen blijft die transitie kwetsbaar. Volgens de Rekenkamer dreigt Europa de doelen voor 2030 niet te halen, zowel voor de beschikbaarheid van materialen als voor de opbouw van een eigen grondstoffenketen.
Dat raakt ook andere sectoren. Kritieke grondstoffen spelen een rol in defensie, medische technologie en de halfgeleiderindustrie. Tekorten of verstoringen in de aanvoer kunnen daardoor snel doorwerken in de hele economie. De oorlog in Oekraïne heeft dat pijnlijk duidelijk gemaakt. Oekraïne gold als potentiële lithiumleverancier voor Europa, maar die route is grotendeels weggevallen. Ook spanningen rond Groenland en handelsconflicten met China onderstrepen hoe fragiel de huidige situatie is.
Critical Raw Materials Act biedt weinig houvast
Om die risico’s te beperken nam de EU in 2024 de Critical Raw Materials Act aan. Die verordening moet de voorzieningszekerheid van 34 kritieke grondstoffen verbeteren, waarvan er 26 essentieel zijn voor de energietransitie. De doelen zijn ambitieus: in 2030 moet tien procent van het verbruik uit Europese winning komen, veertig procent uit Europese verwerking en 25 procent uit recycling.

Volgens de Rekenkamer zijn die doelen echter niet bindend en bovendien beperkt tot een kleine groep strategische grondstoffen. Ook is onduidelijk waarop de percentages precies zijn gebaseerd. Het gevolg is dat lidstaten en bedrijven weinig houvast hebben en investeringen achterblijven. De verwachting dat Europa binnen enkele jaren substantieel minder afhankelijk wordt, is daarmee niet realistisch.
Diversificatie blijft achter
De EU probeerde de afgelopen jaren de import te spreiden via strategische partnerschappen met veertien landen, waaronder Canada, Australië en verschillende Afrikaanse staten. In de praktijk leverde dat weinig op. Voor ongeveer de helft van de onderzochte grondstoffen is de invoer uit deze partnerlanden tussen 2020 en 2024 zelfs gedaald. Sommige samenwerkingen stranden door politieke instabiliteit, andere door trage ratificatie van handelsverdragen zoals het akkoord met de Mercosurlanden.
Tegelijkertijd blijven onderhandelingen met belangrijke partners, waaronder de Verenigde Staten, liggen. Daardoor blijft Europa afhankelijk van bestaande leveranciers en ontbreekt echte onderhandelingsruimte.
Recycling als gemiste kans
Misschien wel de grootste onbenutte mogelijkheid ligt dichter bij huis. Elektronisch afval zit vol kritieke materialen en geldt volgens de Rekenkamer als het laaghangende fruit. Toch worden tien van de zesentwintig relevante grondstoffen helemaal niet gerecycled. Voor zeven andere ligt het recyclingpercentage tussen één en vijf procent.
Hoge energiekosten, complexe regelgeving en kleine volumes maken recycling in Europa lastig rendabel. Bovendien wordt veel elektronisch afval geëxporteerd naar landen waar verwerking goedkoper is. Daarmee verdwijnen waardevolle materialen uit zicht, terwijl Europa ze hard nodig heeft. De huidige EU-doelen stimuleren recycling nauwelijks per afzonderlijke grondstof en moedigen het gebruik van gerecyclede materialen niet actief aan.
Trage vergunningen en hoge kosten
Ook eigen winning en verwerking komen moeizaam van de grond. Nieuwe mijnbouwprojecten kennen lange vergunningstrajecten die kunnen oplopen tot twintig of zelfs dertig jaar. Zelfs als er nieuwe afzettingen worden gevonden, is het ondenkbaar dat die vóór 2030 een serieuze bijdrage leveren. Voor verwerking geldt een vergelijkbaar probleem. Hoge energiekosten ondermijnen het concurrentievermogen van Europese raffinaderijen, waardoor projecten worden uitgesteld of afgeblazen.
De Rekenkamer waarschuwt voor een vicieuze cirkel. Door een gebrek aan aanbod komen verwerkingsprojecten niet van de grond, wat de prikkel om te investeren verder verkleint. Daarmee dreigt Europa in 2030 nauwelijks verder te zijn dan nu, terwijl de vraag naar kritieke grondstoffen alleen maar toeneemt.





