Technologie verandert niet enkel het heden, het zorgt er ook voor dat we het verleden op een andere manier bekijken. Innovaties zoals satellietbeelden, lasers en artificiële intelligentie worden steeds meer gebruikt door archeologen en historici. Dat levert scepticisme én optimisme op.
Duizenden jaren geleden, vanaf het laat neolithicum, begonnen de bewoners van de Veluwe grafheuvels op te richten. Vandaag tekenen die nog steeds het lokale landschap. Je vindt er duizenden over heel Nederland. Deze grafheuvels proberen archeologen op te sporen. Vroeger deden ze dat door bijvoorbeeld luchtfoto’s af te speuren met het blote oog, of in het veld op zoek te gaan. Vandaag doen archeologen echter steeds meer een beroep op artificiële intelligentie (AI).
“Normaal zou je maanden achter je bureau moeten zitten om een paar van deze heuvels te vinden”, vertelt Wouter Verschoof-van der Vaart, gastonderzoeker in digitale archeologie aan de Universiteit van Leiden. “Nu proberen we AI te gebruiken om dit probleem op te lossen.”
Verschoof-van der Vaart is één van de onderzoekers die digitale technologie mengt met de studie van het verleden. Geschiedkundigen en archeologen kijken zo steeds meer naar technologie om nieuwe inzichten te verkrijgen. Een trend met uitdagingen, maar ook veel voordelen.
AI schrijven
Eén van de redenen waarom archeologen naar het digitale grijpen is de toenemende hoeveelheid bronnen waarmee ze geconfronteerd worden. “Binnen archeologie zitten we op enorm veel data”, vertelt Verschoof-van der Vaart. “Denk maar aan satellietbeelden of gedetailleerde hoogte-modellen. Er komen ook steeds meer data bij. Daar willen we archeologische vindplaatsen in ontdekken. Tegenwoordig gaat het echter over zoveel gegevens dat we het niet meer aankunnen om dat handmatig te doen.”














